De edele kunst van Octave Vandeweghe

dinsdag, 19 februari, 2019 - 10:00

Een mes van rotskristal, een gebit van amethist,... Bij de jonge kunstenaar Octave Vandeweghe (30) mogen edelstenen wat meer dan braaf hangen aan een ketting. 

De appel valt niet ver van de boom. Of in Octaves geval: de edelsteen. Zijn moeder, juweelontwerpster Dominique Van Heddegem, verkocht haar sieraden in haar galerie ‘Que Van’ op de Dumortierlaan, nu ligt het werk van zoon Octave in de Antwerpse galerie Valerie Traan. En in musea als het DIVA en Designmuseum Gent. Hij belandde zelfs op de shortlist van de Design Awards van het toonaangevend magazine Wallpaper.

Je moeder maakte sieraden, jij studeerde juweelontwerp. Is zij je inspiratie?
“Als ik door een catalogus met haar werk blader, zie ik wel dat zij ook graag niet voor de hand liggende materialen gebruikte, zoals goud in combinatie met palissanderhout of plexiglas, wat in de jaren 80 vernieuwend en gedurfd was. Al maakte ze draagbare sieraden, zoals colliers, broches en ringen, toch zie je dat ze niet alleen experimenteert met materialen, maar ook met grootte en vorm. Ze kleurde buiten de lijntjes, en dat doe ik ook.”

Is je edelstenen mes een soort tafelsieraad of kan je er echt mee snijden?
“Nee, en daar zit ook meteen een groot verschil tussen mijn moeders werk en het mijne. Wat ik maak is niet functioneel: met mijn mes van rotskristal ga je geen biefstuk snijden, het is een artefact. Mijn gebit ga je niet als een broche op een kleedje spelden. Gewone sieraden of gebruiksvoorwerpen maken, dat is mijn vertrekpunt eigenlijk niet. Ik zoek net de spanning op tussen functionaliteit en schoonheid.”

Je bent nauwelijks 30 en je werk ligt al in musea. Je moeder moet wel trots op je zijn.
“Ze is helaas overleden in de jaren 90. Maar als kind zag ik haar graag bezig in het atelier. Hoe ze smeedde en met edelstenen werkte, heeft mijn interesse voor het met je handen creëren zeker aangewakkerd. De liefde voor het ambachtelijke zit een beetje in mijn bloed: mijn vader doet aan zeefdruk. Hij is ook een collectioneur, wat betekent dat ik opgroeide in een huis vol intrigerende objecten. Enkele van mijn vroege werken, die ik maakte toen ik nog studeerde, bestaan uit objecten die ik thuis vond. Zoals ‘Teatime’, een klok met een theetuit eraan. Of ik fabriceerde een waterpijp met een waterkraantje. Door op zoek te gaan naar de poëzie achter gebruiksvoorwerpen herinterpreteerde ik ze aan de hand van hun namen.”

Je bestek van edelsteen heet ‘A Brilliant Cut’: vanwaar die naam?
“Dat is de naam voor de meest typische manier waarop diamanten geslepen worden, in een ‘brilliant cut’ met 57 facetten. Tijdens mijn opleiding juweelontwerp merkte ik dat ik weinig affiniteit voelde met traditionele briljanten en minutieus geslepen edelstenen, zo klein en fijn. Toen ik overeenkomsten ontdekte tussen de manier waarop de prehistorische mens uit vuursteen een mes maakte en een diamant die geslepen wordt in facetten, vond ik dat fascinerend. Bij mij refereert ‘briljant’ naar de edelsteen en ‘cut’ naar het mes.”

Heb je lessen genomen om messen te maken zoals in de tijd van de familie Flintstone?
“Nee, maar ik bekeek er wel verschillende films over. Ik bouwde mijn eerste slijpmachine ook zelf. Het mes is het eerste gebruiksvoorwerp dat de mens maakte. Door het creëren van objecten onderscheidt de mens zich van de dieren, het is ons vermogen om objecten te maken en te gebruiken dat ons mens maakt. Dat vermogen uit zich ook in het creëren van kunst, objecten zonder een specifiek nut. Zo wordt iets natuurlijks als een steen een brok cultuur. Die spanning tussen natuur en cultuur, de evolutie die de mens doormaakte, vind je ook weerspiegeld in mijn werk. Ik gebruik zowel natuurlijke als synthetisch vervaardigde edelstenen die ook kleurschakeringen en ongelijkheden vertonen, zodat natuur en cultuur in elkaar overvloeien. Net als schoonheid en functie.”

Hoe kwam je op het idee voor je edelkunstgebit?
“Het was me niet te doen om de poëzie achter het woord ‘kunstgebit’. Ik had een hele installatie gemaakt met gebit en bestek, ‘Cultured Manners’ genaamd. Daarin ging ik op zoek naar de werktuigen die de mens gebruikt om te eten en hun evolutie. Onze eerste messen zijn onze tanden, die ook uit verschillende facetten bestaan, met snij- en maalvlakken. Pas daarna maakte de mens het mes.”

Wie koopt jouw onbruikbaar mooie creaties?
“Designliefhebbers en kunstverzamelaars. Voor mij is het geheel van de installatie en het verhaal dat ik ermee vertel het belangrijkst, de koper heeft zijn eigen verhaal waarom mijn artefacten hem boeien.
Laatst omschreef een kunstkenner mijn werk nog als een ‘poème brut’, en noemde hij mij in één adem met Sigve Knutson. Dat is een Noorse ontwerper die qua manier van werken ook teruggrijpt naar een primitieve vormentaal.”

Aan kunstliefhebbers geen gebrek in Knokke-Heist. Heb je hier ook fans?
“Ik ken niet alle namen en achtergronden van de kopers van mijn werk, ik weet dat er wel een paar Knokke-Heistenaars bij zijn. Een van hen leerde ik ook persoonlijk kennen, hij is een belangrijke collectioneur die me in contact heeft gebracht met het Designmuseum in Gent. Ik werk nu aan mijn volgende tentoonstelling, die aan de hand van ruwe schetsen langzaam vorm krijgt in mijn hoofd. Daarbij steek ik een beetje de draak met de bijzondere krachten en magie die aan edelstenen als rotskristal of citrien worden toegeschreven. Ik laat ze, in de vorm van een kleine elektriciteitspaal, de illusie van stroom opwekken. De vorm van de elektriciteitspaal als vorm gaat eigenlijk terug op de vork van Poseidon, en bouwt zo voort op mijn eerder werk.” 

Is naar zee komen nog altijd thuiskomen?
“Ja, hier staat mijn ouderljk huis, met uitzicht op de plassende engel van Wim Delvoye. Op de begane grond was vroeger de galerie van mijn moeder, waar ze naast haar eigen werk ook creaties van andere hedendaagse Belgische juwelenontwerpers verkocht. In Antwerpen staat mijn atelier, naar zee kom ik om op mijn gemak te zijn. Om met mijn broer te gaan zwemmen, bij te praten met mijn vader... Zo ga ik graag aan de Oosthoek gebakken pladijs eten. Dat zijn van die tradities die ik graag in ere houdt. En als ik van de trein stap, hou ik wel eens halt bij een kroeg als Tracks&Tr@vellers voor een pintje.”

Heb je ook een favoriete galerie?
“Niet meteen. In mijn jonge jaren stapte ik nooit in galeries binnen, want op reis namen mijn ouders ons zo vaak mee naar musea en tentoonstellingen dat ik voor de rest van het jaar genoeg kunst gezien had. Het is pas de laatste jaren dat ik, vaak op uitnodiging van vrienden of kennissen, wel eens naar een vernissage afzak van een kunstenaar wiens werk mij interesseert. Het galerielandschap in Knokke-Heist is ook veranderd sinds ik hier opgroeide. Minder antiek, meer hedendaags werk, en dat boeit mij wel.”

Wanneer kunnen we je werk hier komen bewonderen?
“Als jonge kunstenaar vindt mijn werk vaak meer aansluiting bij een publiek dat graag nieuwe dingen ontdekt. Die lopen in Knokke-Heist gelukkig ook over straat, anders zouden mijn edelstenen artefacten hier geen tweede thuis gevonden hebben, maar voorlopig is er geen galerie aan de orde. Ik zit goed bij galerie Valerie Traan in Antwerpen en af en toe installeer ik ook iets van mijn werk in de vitrine van ons ouderlijk huis. Ik denk ook dat de meeste galeriehouders in Knokke-Heist bij voorkeur uitpakken met werk van grote, gevestigde namen, omdat daar het grootste publiek voor is.”

Dit artikel is verschenen in KH Magazine 35, op pagina 24-27.